Koolstofboer Jan Kastelein denkt vooruit, in een cirkel

“Vroeger begon ik steeds op nul. Nu denk ik meer vooruit, in een cirkel.” Jan Kastelein is tegenwoordig ‘koolstofboer’. Als de oogst binnen is, ploegt hij zijn land niet langer kaal. Het land blijft het hele jaar groen. Dat bindt koolstof, CO2, en bevordert het bodemleven.

“Je kunt bijvoorbeeld bladrammenas of mosterd als groenbemester gebruiken. Of, zoals ik, een heel palet van verschillende soorten die elkaar versterken.” Jan Kastelein pakt er een lijst bij. “Alexandrijnse klaver, huttentut, zonnebloem, Japanse haver, wikke… Dat is een combinatie die goed is voor de aardappelteelt. Voor suikerbieten heb je weer andere combinaties groenbemesters.”

“Je legt koolstof vast in de grond door de organische stof op je land te verhogen”, legt de koolstofboer uit Sommelsdijk uit. “Daarom laat ik ook gewasresten liggen, evenals bijvoorbeeld vaste mest met stro. Organische stof is, omgezet in suikers, opneembare meststof voor de planten die je teelt. Daardoor gaat het gewas beter groeien, en daar gaat het uiteindelijk om.”

Footprint
Toch is er nog een sleutel waarom Jan Kastelein koolstofboer is geworden. “Onze footprint”, zegt hij. Die neemt af als je CO2 uit de lucht haalt en minder kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen nodig hebt.

Volgens Kastelein, die als koolstofboer subsidie ontvangt van het Windpark Krammer, werkt de nieuwe werkwijze goed. “Per jaar zou ik 2 ton koolstof per hectare uit de lucht moeten halen. Dat is in totaal 80 ton per jaar. Maar het is moeilijk om de verandering in cijfers te vangen. De organische stof in de grond is in de afgelopen vijf jaar gestegen van 1,3 naar 2,2 procent. Het gaat de goede kant op. Na een droog voorjaar zie je bovendien dat de grond vochtiger is. Het gewas komt beter en sneller op. Terwijl je minder kunstmest nodig hebt. Die is momenteel duur door de hoge energieprijzen, dus dat is wel prettig.”

Notenbomen
Eind 2021 heeft Kastelein een windsingel rond zijn woning en schuur geplant. “Hazelnoot- en walnootbomen. Die houden CO2 vast, dus die windsingel past perfect in het plaatje. Bovendien brengen ze een ‘extra gewas’ op: noten. Ik zie er toekomst in, want noten zijn eiwitvervangers die veel gebruikt worden in de vegetarische en veganistische keuken. Nu staat er één rij bomen, maar er komen er nog twee bij. Bij elkaar een hectare.”

Wat ook perfect in het plaatje past, is het grote insectenhotel in de tuin bij het woonhuis. “Je kunt het met 1 bij 1 meter beter een flat noemen”, lacht Jan Kastelein. “Het is een stapel pallets, die we wat hebben aangekleed, ook met beplanting: hop. Er gebeurt van alles: er zitten egels onder, er broeden vogels, als het mooi weer is hoor je het gezoem…” Dat is biodiversiteit in het klein. Zoals de bloemrijke akkerranden, die Kastelein al vele jaren rond zijn grond heeft, de biodiversiteit op grotere schaal stimuleert. Evenals het ‘koolstofboeren’ dat doet met het bodemleven op de akkers.

Ritnaalden
Voor het bestrijden van de kniptor is Kastelein gestart met een andere vorm van bestrijding. “De larven van de kniptor, ritnaalden, vreten aan de aardappelen. In het voorjaar komen die torretjes tot ontwikkeling. We vangen de mannetjes in een val, zodat ze geen eitjes kunnen bevruchten. We tellen de gevangen torretjes. Pas boven een bepaalde hoeveelheid is het nodig om deze beestjes te bestrijden. Zo beperk je het gebruik van chemische middelen. Dat is effectiever en beter voor mens en dier.”

Terug